Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA4132

Datum uitspraak2007-04-23
Datum gepubliceerd2007-05-02
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200701653/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 15 februari 2007 heeft verweerder een verzoek van verzoekers om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot een illegaal gronddepot gelegen in het verlengde van de Rietmeen (Zeepad) te Harderwijk afgewezen.


Uitspraak

200701653/1. Datum uitspraak: 23 april 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekers], allen wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 15 februari 2007 heeft verweerder een verzoek van verzoekers om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot een illegaal gronddepot gelegen in het verlengde van de Rietmeen (Zeepad) te Harderwijk afgewezen. Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Bij brief van 2 maart 2007, bij de rechtbank Zutphen ingekomen op 5 maart 2007, doorgezonden aan de Raad van State, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 april 2007, waar verzoekers, waarvan [gemachtigde] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.W. Walhof en G.A.B. Hurkens, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om handhaving van verzoekers afgewezen. Volgens verweerder is er weliswaar sprake van een gronddepot, maar nu in dit depot geen opslag van afvalstoffen plaatsvindt, valt de inrichting onder de werkingssfeer van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, zodat er geen vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is vereist. 2.2.    Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gronden die in het betreffende gronddepot lagen opgeslagen, zijn aangewend voor de aanleg van een talud ten behoeve van een fietsbrug. Hetgeen verzoekers met hun verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk nastreven, is bereikt nu er geen sprake meer is van de aanwezigheid van een gronddepot. In zoverre bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.    Voor zover verzoekers tijdens de zitting hun verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening hebben uitgebreid tot het inmiddels aangelegde talud en artikel 7 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, waarmee de aanleg van het talud volgens hen in strijd is, overweegt de Voorzitter dat niet is gebleken van overtredingen die handhavend optreden door verweerder noodzakelijk maakten. Hierbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat uit de stukken in ieder geval niet is gebleken dat als gevolg van de aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de afdeklaag van het talud, bodemverontreiniging zal optreden. De Voorzitter ziet daarom, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ook in zoverre af te wijzen. 2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen                       w.g. Douwes Voorzitter                          ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2007 443